Historie Nijverdal


Het is 1836 als een "nederzetting" in midden-overijssel de naam krijgt van Nijverdal. Op dat moment bestond het dorp uit slechts één textielfabriek en een aantal arbeidershuisjes en boerderijen. Deze boerderijen waren met name gelegen in de marke Noetsele. De Engelse textielfabrikant Thomas Ainsworth zag echter in het gebied een goede plek om een textielbedrijf te starten, immers het was de plek die lag aan de zandweg van Zwolle naar Almelo en aan het riviertje de Regge.
In Overijssels en Zwolsche Courant van mei 1936 wordt er het volgende over geschreven:
De naam Nijverdal

Houvenburg of Nijverdal

Hoe moest de nederzetting heten ?

Plaatsnamen hebben hun eigen geschiedenis.
Meestal is deze niet meer geheel na te gaan ,omdat de oorsprong zich verliest in de duistere hoeken der historie.
Vaak kent men van een naam niet eens de beteekenis, welke zich toch ongetwijfeld in het grijs verleden moet gehad hebben. Anders is het met Nijverdal, waarvan de stichting betrekkelijk nog zoo kort achter ons ligt, dat de historie er ons volledig over inlicht, terwijl de beteekenis van den naam voor een ieder spreekt.
In de archieven der Nederlandsche Handelmaatschappij is deze merkwaardige geschiedenis van den aanvang af te volgen.
Toen men al bezig was met het leggen der fundamenten voor de eerste gebouwen, begon men pas te spreken over den naam, die de nieuwe nedezetting zou moeten hebben.
In een korte spanne tijds is daarover geschikt en het was nog maar enkele dagen voor den eigenlijken stichtingsdag, dat werd vastgelegd, dat de plaats Nijverdal zou heeten.

Houvenburg.

In een brief van 27 april 1836 schrijft Ainsworth o.m. aan den president der Handelmaatschappij, de heer H.C. van der Houven het volgende:
"Het is UweEdGestr. Bewust dat al die verschillende gebouwen, de huizen daaronder begrepen, op eenen woesten grond gebouwd worden, die aangekocht is van de Markgerechtigden (bedoeld is hier: de boeren die deel hadden in de gemeenschappelijke markegronden), der buurschap Noetsele, welker woningen ongeveer 3/4 uur gaans van voornoemde etablissementen verwijderd zijn; zoodat het deze, tot nogtoe, aan eenen naam ontbreekt;-en deshalve ik UweEdGestr toestemming verzoek, om de plaats onzer etablissementen te mogen benoemen met dien van "Houvenburg"."
De agent der Ned Handelmaatschappij op den Eversberg, de heer J.P. Freyss, kwam hier twee dagen later nog op terug. Hij verwarde blijkbaar "burg" met "berg", en schreef o.m. in een particulieren brief aan den president:
"De heer Ainsworth verzocht den waarden en hooggeachten president den naam van den nieuwe grond te geven en stelde die van Nouvenberg voor. Deze grond echter geen berg maar een laagte zijnde tusschen den Hellendoornschen en Eversberg, zoude wellicht Houvendaal nog passender zijn".

Nijverheidsoord.

Maar de heer van der Houven wilde daar niet aan. Op 30 april ging van de directie een schrijven uit aan den heer Ainsworth, waarvan het volgende in dit verband van belang is:
"Wat voorts betreft het tweede aanbod door UEd. Aan den Heer President gedaan, om namelijk de plaats Uwer etablissementen naar ZijnEdG. naam te noemen, zoo verzoekt ZijnEdG.
Onder erkentelijke dankbetuiging voor het vereerde van dit aanbod, aan dat voornemen geen gevolg te geven.
Ten einde echter te voldoen aan UEd . verzoek om aan de bedoelde plaats eene benaming te willen geven, zoo zouden wij UEd, na overleg met onzen President, in overweging geven, om de nu nog onbebouwde plaats, waar UEd. zich voorstelt eene inrigting daar te stellen, die voor de nationale Nijverheid zulke belangrijke gevolgen zal kunnen opleveren, den aan het doel hare diensten herinnerenden naam te geven van Nijverheidsoord".

Deze nieuwe naam heeft zelfs nog een geschiedenis, welke wijst op de moeilijkheden, die aan de naamgeving waren verbonden.
In de minuut van den brief, welke in het archief der Handelmaatschappij wordt bewaard, is namelijk eerst geschreven Nijverheidstede.
Een andere hand heeft de uitgang "stede" doorgehaald en daarboven "soord" geschreven.
In deze vorm is deze brief verzonden.
De voormalige machinekamer van de KSW,
toonaangevend voor zijn tijd,
is inmiddels een Rijksmonument geworden.

Nijverzorg.

Niettemin kon deze naam den heeren op den Eversberg ook niet bekoren.
In een brief van Ainsworth, per procuratie door Freyss geteekend en dagteekenend van 7 mei 1836, lezen we namelijk:
"Tevens heb ik opgemerkt, dat UEG. den naam welke aan de plaats, die nu bebouwd wordt, zoude gegeven worden, in overweging hebt gelieven te nemen;- zoo ik die van Nijverheids-oord ook alle eer zoude wenschen aan te doen, ben ik zoo vrij UEG. in bedenking te geven deselfs uitgang van oord, om reden dit voor de kolonien in Drenthe reeds meermalen gebezigd is, liever in zorg te veranderen en dus Nijverzorg te schrijven".
De directie te Amsterdam scheen wel iets voor het bezwaar te voelen, doch kon zich met den voorgestelden naam niet geheel vereenigen.
Op 10 mei antwoorde ze aan Ainsworth over deze aangelegenheid het volgende:
"Uit aanmerking van de door UEd. in het midden gebragte bedenkingen tegen den door ons voorgestelden naam van de plaats welke thans bebouwd wordt, geven wij UEd. in overweging of het niet doelmatig zoude zijn, om die naam te bepalen op "Nijverdal".
En hierbij is het gebleven. Op 16 mei had Thomas Ainsworth te Amsterdam een bespreking met de directie der maatschappij over zijn nieuwe onderneming.
Vermoedelijk is daarbij ook deze kwestie ter sprake gekomen en zijn de heeren het over de naam eens geworden.
Nadere briefwisseling is hierover voor zoover was na te gaan niet gevoerd en in de notulen der directie-vergaderingen wordt er niets over vermeld.
Dat de naam Nijverdal op den dag der stichting 14 mei 1836 nog niet definitief gekozen was, mag, behalve uit het feit, dat op 10 mei nog een nader voorstel uit Amsterdam gedaan werd, ook wel worden afgeleid uit de omstandigheid, dat noch notaris Kluvers, noch de agent Freyss in hun redevoeringen bij de eerste steenlegging dien naam noemden waartoe alleszinds aanleiding zou zijn geweest, wanneer, na zoo velerlei onderhandelingen, op dien dag de naam reeds was vastgesteld.
Prov. Overijssels en Zwolsche courant 5 mei 1936

De naam Nijverdal heeft voor iederen Twentenaar een vertrouwde klank.
En weinigen weten dan ook dat het nauwelijks een halve eeuw geleden is, dat deze naam geenzinds een vertrouwden klank had en slechts bij uitzondering gebruikt werd, zo schrijft de krant in 1933.
Volgens de overlevering is de naam Nijverdal voor het eerst gebruikt door Robert Campbell, eerste agent der Nederlandsche Handel Maatschappij ter behartiging van haar belangen in Twente, later burgemeester van Hellendoorn.
Toen Campbell kort na de overplaatsing van de weefschool van Ainsworth uit Goor naar Eversberg deze plaats bezocht, moet hij gesproken hebben van "Nijverdal" en er aan toe gevoegd hebben, dat het na de woeste venen richting Wierden aandeed als een oase in de woestijn.
In een ander artikel over de geschiedenis van deze gemeente kunt u lezen dat niet Campbell maar Ainsworth het initiatief nam, om deze plaats een naam te geven, dat met de bewijzen er bij.
Hoe dan ook Nijverdal is Nijverdal. Het artikel gaat verder met: voor die tijd had men gesproken van Eversberg of wel van Koeveen, Noetsele of Notter.
Hoe het zij, de bevolking van Twente nam den naam niet onmiddellijk over.
In 1836 komt de naam voor het eerst in officiele stukken voor, o.m. in het doopboek van Hellendoorn, en op de door Boelens in 1838 uitgegeven kaart van Overijssel wordt eveneens de naam Nijverdal gevonden.
De bevolking stoorde zich echter noch aan het Doopboek, nog aan de kaart van Boelens en ging rustig door met het gebruiken van namen, die haar gemakkelijker in den mond lagen.
Dat waren dus Eversberg, Noetsele of Notter, terwijl men in plaats van Everberg ook wel- Neversberg zei.

Nijverdal niet populair

Jaren lang bleef dit zoo voortgaan. De naam Nijverdal werd bij de bevolking niet populair. En hij zou wellicht nimmer algemeen gebruikelijk zijn geworden, indien niet de techniek ook in ander opzicht dan wat de textiel aangaat, in Twente voortgang had gemaakt.
De spoorwegen waren op weg het vervoermiddel te worden. Trekschuit en paard en wagen, of rijtuigen zagen de eerste teekenen van hun naderende ondergang en ook Twente, waar de industrie van steeds grotere beteekenis werd, zag de eerste ijzeren banen door zijn bruine heide, zijn beboschte heuvels en zijn groene weiden trekken.
Nijverdal, snel in opkomst in die periode, kwam in aanmerking voor een verbinding en dus verrees er een station. En dit station kreeg den naam, die tot nu toe een Zondagsche naam was geweest, den naam Nijverdal. Dit geschiedde in de jaren 1880-81. Wie zelf naar die plaats wilde, of goederen er heen moest verzenden, was genoodzaakt den naam Nijverdal te gebruiken. En dat leidde er toe, dat na verloop van korten tijd deze naam een even vertrouwden klank had gekregen als de overige, hierboven opgesomde namen.
Tegenwoordig zou menigeen vreemd opkijken, als men van Eversberg sprak, daarbij Nijverdal bedoelende. En toch is laatst genoemde naam eerst nauwelijks een halve eeuw geleden algemeen in gebruik gekomen.

De samenstelling van de bevolking.

Niet alleen over den naam van Nijverdal, ook over de bevolking van deze plaats vallen wetenswaardigheden te vertellen. In het jaar 1830 bestond Nijverdal nog niet en het had dus afgezien van de boeren, die in de nabij gelegen gehuchten woonden, ook geen bevolking. Hellendoorn bestond wel, maar het had geen industrie van beteekenis. Er werden schoenen gefabriceerd en men beoefende er het huisweven en toen Nijverdal in opkomst was, bleven de Hellendoorners in hun eigen dorp.
Waar moest men de arbeidskrachten voor die industrie vandaan halen? Natuurlijk van elders. Voor een deel kwamen de arbeidskrachten uit de kolonie Frederiksoord. Deze kolonie was een stichting van de Maatschappij van weldadigheid, een vereeniging die in 1818 was opgericht met het doel om, door het aanleggen van kolonies in nog niet ontgonnen streken van ons land, behoeftigen te ondersteunen. Stichtingen van deze maatschappij zijn de kolonies Veenhuizen, Ommerschans en Frederiksoord, die in 1855 door den staat werden overgenomen. Frederiksoord ligt in de Drentsche gemeente Vledder en werd in 1818 door Graaf van den Bosch gesticht.
De bevolking bestond uit personen die op aanvraag bij de Maatschappij aldaar geplaatst waren. Men vond er arbeiders-kolonisten en pachters of vrijboeren, die grond en hoeve van de maatschappij huurden en zich in een afzonderlijke wijk vestigden. Deze kolonie nu leverde een deel van de bevolking van Nijverdal.
Maar het ligt voor de hand, dat ook uit andere deelen van ons land arbeiders kwamen en wel voornamelijk uit die deelen, waar men reeds met het weven bekend was. Uit vrijwel alle provincies kwamen nieuwe inwoners toestroomen, maar uit Zuid-holland en Zeeland kwamen toch wel de meesten. Speciaal degenen die uit Zeeland kwamen, verdienen hier vermelding. En zulks niet, omdat zij zich van de andere bewoners onderscheidden, door bijzondere eigenschappen, doch voornamelijk omdat bij de vestiging van dit bevolkingsdeel de voor Nijverdal zoo belangrijke familie Salomonson uit Almelo een rol speelde.
De heeren Salomonson bezaten namelijk handweverijen op Walcheren en te Zierikzee en ook daar was dus het handweven bekend. Volgens sommigen schijnen de heeren Salomonson aanvankelijk de bedoeling te hebben gehad, hun bedrijven in Zeeland uit te breiden.
Het feit, dat de industrie in Twente zoo snel opbloeide, zou hen tenslotte hun keuze op ons gewest en in dit gewest op Nijverdal hebben doen vallen. In de periode, waarin Nijverdal snel tot bloei kwam, trokken in opdracht van de fabrikanten personen het land door, die de speciale taak hadden, geschikte arbeidskrachten aan te werven. Ook het Zuiderzee-eilandje Schokland heeft inwoners aan Nijverdal geleverd. Jaren lang had Schokland weerstand weten te bieden aan de felle stormen, die het eilandje belaagde. Langzamerhand echter wonnen wind en water op de zich verwerende bewoners en in 1859 was de toestand zoo kritiek geworden, dat de regeering besloot het eilandje, dat geslonken was tot een smalle dam in de wijde binnenzee, te laten ontruimen. De bewoners vestigden zich toen in Kampen, sommigen gingen naar het hierboven reeds vermelde Frederiksoord, anderen naar Nijverdal.

Waarom naar Nijverdal.

De reden moet vermoedelijk gezocht worden in het feit, dat ook op Schokland zich de textielnijverheid een plaats had weten te veroveren. In 1837 was er namelijk een weverij met ruim 50 getouwen ingericht, die stof leverde aan de heeren Salomonson. Men meende er dus handige arbeiders vandaan te kunnen halen en inderdaad vestigden zich verscheidene gezinnen in de nieuwe plaats.
Een rol van beteekenis heeft ongetwijfeld ook gespeeld het feit, dat de pastoor van Schokland, de Z.E. Heer J.ter Schouw, naar Hellendoorn werd overgeplaatst en dat verscheidene parochianen hem naar deze gemeente volgden.
Ook Engelschen en Duitschers kwamen, tijdelijk of voor goed, naar Nijverdal, omdat hier gelegenheid bestond het weven te leeren. En ten slotte hebben natuurlijk ook de Twentsche gemeenten inwoners aan Nijverdal geleverd.
Het feit, dat de bevolking van Nijverdal uit zoo verschillende deelen is samengesteld, heeft niet nagelaten zijn invloed te doen gelden. Menschen, die uit verschillende deelen van het land zich vestigen op een bepaalde plaats, zijn ver van vrienden en verwanten verwijderd. Zij staan in den beginne alleen. Vandaar dat zij toenadering zoeken tot anderen en waar zouden zij gemakkelijker geestverwanten vinden, dan in de kerken, waar zij samen komen met lieden, die denzelfden godsdienst aanhangen? En hoe vinden zij gemakkelijker ontspanning en gezelligheid, dan door deel te nemen aan het vereenigingsleven?
Het is een eigenaardigheid van vele plaatsen met een groot bevolkingspercentage, dat het godsdienstig leven, zoowel als het vereenigingsleven er zich buitengewoon krachtig ontwikkelt.
Ook in Nijverdal is dit het geval. En ook hier zal die gemengde samenstelling van de bevolking aan deze in iedere plaats zoo gunstig werkende omstandigheid niet vreemd zijn.
Bewerkt naar een artikel uit Twentsch Dagblad Tubantia 11 november 1933.
Ainsworth stelde de directie van de N.H.M. voor een kleine modelweverij te stichten. Het plan van een modelweverij en een vlasspinnerij kon gecombineerd worden, met een nog niet uitgevoerd idee van de N.H.M. om in Twente een agentschap te stichten voor het in ontvangst nemen en kleuren van de goederen. De contacten die Ainsworth had met zijn handelsvriend Cornelis Kuyper wierpen nu vruchten af. Als geen ander kende Kuyper de omgeving van de marke Noetsele. De erfmarkerichter zal Ainsworth deze omgeving ter overweging hebben meegegeven. De directie van de N.H.M. ging akkoord met het voorstel van Ainsworth. Zijn keuze viel op de omgeving van het kruispunt van de straatweg van Zwolle naar Almelo, met de rivier de Regge. Voor een agentschap was geen betere plaats te bedenken.
De directie van de N.H.M. huurde voor een periode de oude Havezathe de Eversberg, gelegen in de marke Notter, binnen de gemeente Wierden. De directie gaf opdracht tot grond aankoop, in de marke Noetsele en de omgeving ten westen van de rivier de Regge. Aan de zo verworven gronden werd door de directie van de N.H.M. de naam Nijverdal gegeven. Ten noorden van de straatweg werd het keurmagazijn gebouwd, ten zuiden er van bouwde Ainsworth, die niet over voldoende eigen middelen beschikte, met kapitaal van de N.H.M. zijn modelweverij en vlasspinnerij. Ainsworth werd directeur van het agentschap. Voor zijn eigen modelweverij werd op 14 mei 1836 namens de N.H.M. door notaris G. Kluvers de eerste steen gelegd. Ainsworth kreeg na enige tijd, zeer bekwame medewerkers naast zich, Met name Robert Campbell als agent. Na het overlijden van Ainsworth werd geen nieuwe directeur benoemd. Campbell bleef agent. Als boekhouder was Hendrik Wormser aan het agentschap verbonden, hij zou Campbell na diens overlijden opvolgen als agent.
Ainworth is volgens zijn overlijdensakte op zaterdag 13 februari 1841 omstreeks 10 uur in zijn woning overleden. Hij werd op verzoek van zijn broer Edward te Goor begraven. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de Twentse katoenindustrie. Zijn graftombe kan men te Goor nog steeds bewonderen. Thomas Ainsworth was gehuwd met Jane Bower. Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren.
Bronnen: Alg Rijksarchief, Archief v.d. Nederlandse Handel-Maatschappij. Geschreven door: Ben Spijker.
Nadat de weduwe van Thomas Ainsworth de zaak nog een korte tijd heeft voortgezet, kwam daar na ongeveer 8 jaar een einde aan. Uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van d.d. 26 October 1849 blijkt dat de zaak van wijlen Thomas Ainsworth ter publieke verkoop wordt aangeboden.
Het artikel luidt als volgt:

Publieke Verkoop

Van het
SCHOONE ETABLISSEMENT

Van wijlen

T H O M A S - A I N S W O R T H

Te Nijverdal

De EIGENAREN zijn voornemens door het Ministerie van den te HELLENDOORN residerenden Notaris G. KLUVERS,
op woensdag den 14 November aanstaande te doen Inzetten

en op woensdag den 28 November daaraanvolgende finaal

te Verkoopen, ten huize van den Kastelein TEUNIS de JONG

te Nijverdal, telkens des voormiddags te elf uur;

Het ETABLISSEMENT

D E

K E T T I N G S T E R K E R I J

Staande en gelegen te Nijverdal, Gemeente HELLENDOORN, provincie Overijssel, aan den straatweg van Zwolle op Almelo, in de nabijheid van de rivier de Regge, bestaande in een groot FABRIEKS-GEBOUW tot de sterkerij alsmede tot weverij gebezigd, en waarin vroeger ook de machinale Vlasspinnerij uitgeoefend en hetwelk geschikt is tot het uitoefenen van velerhande bedrijven, met de zich daarin bevindende uitmuntend werkende Stoommachine.van tien paardenkracht,Koornmolen door stoom gedreven, twee Droog machines en alle overige Werktuigen tot eene complete en goed ingerigte Sterkerij benoodigd.

Voorts MAGAZIJNEN, LOODSEN en KANTOORGEBOUWEN, PAARDEN- en KOEIJENSTALLING en HOOIBERG daarboven, benevens een welingerigt HEERENHUIS, geschikt voor zomer en winterverblijf, voorzien van onderscheiden behangen kamers van stookplaatsen voorzien, met een daarnaast staande SCHUUR en daarachter gelegen TUIN.

Wijdens elf ARBEIDERS-WONINGEN, elk voorzien van een daarbij gelegen TUIN, vervolgens alle de tot dit Etablissement behoorende uitmuntende WEI-BOUW-en BOSCHGRONDEN, alles sedert den jare 1837 nieuw opgerigt en aangelegt door wijlen THOMAS AINSWORTH, en van tijd tot tijd verbeterd en verfraait; en eindelijk:

EENE GROOTE HOEVEELHEID

B O U W -, B O S C H -, V E E N- en H E I D E G R O N D E N, op eenen kleinen afstand van het Etablissement gelegen, met de zich daarop bevindende GEBOUWEN, HOOIBERG en SCHAPENSCHOTTEN.

Alles te zamen uitmakende eene grootte van ongeveer 375 B U N D E R S , verdeeld in 49 perceelen en twee massa's. Nadere informatien zijn te bekomen bij boven genoemde Notaris, ten wiens kantore de Veil-conditien 14 dagen voor de inzate ter inzage zullen liggen, en bij den Heer J. van W i j n g a a r d e n te Nijverdal.


In 1851 kopen de gebroeders G. en H. Salomonson de hele zaak op en breken de bestaande gebouwen af. Zij bouwden op de fundamenten van de oude gebouwen een geheel nieuwe bedrijfshal naar Engels model, de eerste en grootste ooit gebouwd in deze stijl. Deze fabriekshallen staan er nog steeds en zijn inmiddels Rijksmonument geworden.
Voor oude foto's van Nijverdal KLIK hier.